Meningen van anderen: discussie onderzoek Indonesische dekolonisatieoorlog

De dekolonisatie van Nederlands-Indië 1945-1950

Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden

In de Militaire Spectator van februari 2021 heeft dr. Henk de Jong, universitair docent militaire geschiedenis aan de NLDA,  een recensie geschreven van de vijf eerste publicaties over het ‘grote’ dekolonisatieonderzoek over Nederlands-Indië van de instituten NIOD, KITLV en NIMH, gepubliceerd in BMGN – Low Countries Historical Review 135-2 (2020).[1] De Jong meent dat de resultaten dwingen tot serieuze reflectie, hoewel hij enkele lacunes aanduidt, zoals het ontbreken van het perspectief van de slachtoffers en Indonesiërs, en hij tevens op definitieproblemen wijst, zoals over ‘technisch geweld’. De suggestie dat de onderzoekers niet integer dan wel onbekwaam zouden zijn is volgens De Jong met deze publicatie ‘volkomen weerlegd’.

De Jong heeft gelijk dat deze eerste resultaten het verdienen om aandachtig gelezen te worden, zonder oordelen vooraf. Eerst enkele opmerkingen over het kader waarbinnen deze vijf eerste publicaties hun plaats vinden. Op 2 december 2016 besloot het kabinet 4,1 miljoen euro beschikbaar te willen stellen voor een breed onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië 1945-1950. Het kader van dat onderzoek is: de brede context van de naoorlogse dekolonisatie; het politiek, bestuurlijk, justitieel en militair optreden in 1945-1950 in voormalig Nederlands-Indië/Indonesië, vanuit het Haagse en lokale perspectief; de moeilijke context waarin de Nederlandse militairen moesten opereren; de geweldpleging door alle betrokken partijen; de geweldsspiraal tijdens de Bersiap-periode(n); de inzet van Nederlandse militairen waarbij geweld geen of nauwelijks een rol speelde, de nasleep na 1949 en de veteranenzorg. De doel van het onderzoek is de dekolonisatie beter duiden, vragen beantwoorden en lessen uit het verleden toepassen in het huidige en toekomstige beleid. De werkwijze is een objectief, onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek.

De Jong benoemt in zijn recensie in de Militaire Spectator onder andere de tijdgeest, die volgens hem bestaat uit het politiek correct denken en doen, het aanpraten van een schuldgevoel over het verleden als maatstaf voor het toetsen van daden uit het verleden. Hij heeft gelijk dat een dergelijke benadering anders oordeelt over het koloniale verleden dan voorheen. Hij wijst op de boeken van Piet Hagen en Rémy Limpach en meent dat vaststaat dat er destijds sprake was van structureel excessief geweld. De Jong beweert dat dit ook al zou staan in de Excessennota, de studies over kapitein Westerling en publicaties van Petra Groen en Jaap de Moor. Echter, behoudens het boek van Limpach geven de andere ‘bronnen’ die De Jong noemt mijns inziens geen onderbouwing van zijn beweringen. Uit een analyse van het boek van Limpach blijkt dat deze dergelijk geweld wel vaststelt, maar niet behoorlijk onderbouwt met duidelijke begrippen en toepasbare methodieken, bijvoorbeeld het vaststellen van ‘militaire noodzaak’.[2]

De Jong noemt verder het boek van J.J.A. van Doorn en W.J. Hendrikx, Ontsporing van geweld, niet.[3] Het boek van Limpach bevestigt de geweldsfuik die Van Doorn en Hendrix reeds in 1970 vaststelden en biedt daarop geen nieuwe inzichten. De suggestie dat destijds de opvatting heerste dat het allemaal ‘incidenteel’ geweld zou zijn geweest, is niet juist. In een gewapend conflict is er altijd sprake van geweld als structuurelement. In die zin is geweld altijd structureel in dergelijke gewapende conflicten en op zich is dat niet bijzonder. Van belang is dan om na te gaan of sprake is geweest van rechtmatig of onrechtmatig geweld. Afwegingen van subsidiariteit, proportionaliteit en legitimiteit in de context moeten dan worden gemaakt.

De tijdgeest als oordelende factor is een overweging van politieke aard en mijns inziens in strijd met het principe  ‘onafhankelijkheid’, een van de vijf principes van wetenschappelijke integriteit. Dat principe verhindert dat buiten-wetenschappelijke overwegingen (bijvoorbeeld overwegingen van politieke aard) tot uitgangspunt voor onderzoek worden gekozen. Toenmalig directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie drs. P. Kamphuis stelde in een interview met het magazine Frederik de onafhankelijkheid van het onderzoek en het kritisch omgaan met bronnen centraal. Dat standpunt spoort met de principes van wetenschappelijk integriteit. Hij merkte op: ‘Op dat punt doen we geen concessies aan politieke correctheid of de waan van de dag.’[4] Daarin geen ruimte voor de tijdgeest derhalve.

De vijf eerste publicaties betreffen vier casestudy’s en een overkoepelend verhaal van een deelproject dat is uitgevoerd door het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS). In de eerste casestudy wordt beweerd dat Nederlandse militairen systematisch wreedheden begingen die werden verdoezeld en weggewerkt door middel van manipulatie van informatie, het organiseren van desinformatie en het managen van schandalen met als achterliggende doelstelling het herstellen van de koloniale verhoudingen door de Nederlandse troepen maximaal vrijheid te geven om te kunnen ‘manoeuvreren’. De basis voor deze beweringen is de zogenoemde affaire-Pesing en het optreden van Westerling op Zuid-Celebes. Uit recent onderzoek van drs. C. Somers en drs A. Tjepkema en mijzelf blijkt dat beide ‘affaires’ geen enkel steekhoudend argument leveren voor deze opvatting.[5] Ook de bewering dat de Excessennota (1969) een poging zou zijn geweest om extreem geweld te reduceren tot individuele gevallen, is ondeugdelijk. De stelling dat ‘we’ inmiddels zouden weten dat deze wreedheden endemisch waren, wordt empirisch niet onderbouwd met archief- en/of bronnenmateriaal. Een bespreking en analyse van de brede context – het optreden en het geweld aan de kant van de gewapende groepen en bendes die al dan niet opereerden onder de ‘vlag’ van de geproclameerde republiek – ontbreekt.

In de tweede casestudy wordt beweerd dat verkrachting door Nederlandse militairen veelvuldig voorkwam. Voor de onderbouwing van deze opvatting worden geen bronnen genoemd. De verkrachtingen aan de kant van de andere ‘combattanten’ worden niet behandeld omdat dit ‘in de context van dit NIAS-project’ niet mogelijk zou zijn geweest! Uit beschikbare bronnen blijkt dat door die andere ‘combattanten’ op grote schaal aan verkrachtingen en het daarna, vaak op brute wijze, vermoorden van de verkrachten is gedaan. Zelfs kinderen trof dat lot. Het gaat dan over vele duizenden verkrachtingen. Die misdaden en wreedheden werden niet vervolgd. Dit onderzoek besteedt daar geen aandacht aan. Aan Nederlandse kant werden de verkrachtingen wel vervolgd. In de publicatie komen 72 zaken aan de orde waarbij 53 militairen schuldig werden bevonden. Op een inzet van 220.000 militairen over de onderzochte periode van circa vier jaar is dat een laag percentage. Desondanks werd wel vervolgd. Voor de stelling dat sprake zou zijn geweest van regelmatige (intieme) relaties met en misbruik van het vrouwelijke personeel ontbreekt de bronverwijzing.

De derde casestudy van het NIAS-project is een eerste behandeling van de inzet van ‘technisch geweld’ en laat nogal wat vragen open. De term ‘technisch geweld’ wordt in militaire zin niet gebruikt. Zoals ook de term ‘tactisch geweld’ niet wordt gebruikt. Daarom is een precieze omschrijving van dit begrip vereist en het aangeven van de reden waarom het begrip wordt gebruikt. De Nederlandse aanval op Wonosari (10 maart 1949) werd door de inheemse rebellenleiding in de VN uit propagandamotieven zwaar overdreven en is geen basis voor de stelling dat straffeloosheid de oorzaak van deze inzet van ‘technisch geweld’ was. Een geïnstitutionaliseerde straffeloosheid is ook niet aannemelijk gezien de regulering die gold voor de inzet van zwaardere wapensystemen. Ook in deze publicatie geen aandacht voor de inzet van ‘technisch geweld’ door de andere ‘combattanten’. Die beschikten immers ook over deze zwaardere wapensystemen.

De vierde casestudy in het BMGN-themanummer geeft indrukken van de microdynamiek van revolutionair en contrarevolutionair geweld. De duidelijke beschrijving en analyse van de wrede guerrilla van de kant van de diverse groepen van de geproclameerde republiek ontbreekt. De auteurs gaan ook voorbij aan de tactiek van terreur en verschroeide aarde aan die zijde. De behandeling van de zogenoemde Pasundan-kwestie is eenzijdig en gaat eraan voorbij dat er brede steun was bij de bevolking voor deze onafhankelijke deelstaat. De overkoepelende bijdrage beweert dat op basis van deze vier casestudy’s sprake zou zijn van een geïnstitutionaliseerd systeem van straffeloosheid als de verklaring van het ‘extreem geweld’ door Nederlandse militairen bij de gewapende conflicten tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië 1945-1950. Het begrip ‘extreem geweld’ is niet duidelijk omschreven en slechts gebaseerd op een ‘commonsensical approach’. Geen van de vier casestudy’s onderbouwt echter die stelling, zoals hierboven is aangegeven.

Mijn analyse  van het NIAS-project leidt tot de volgende conclusies:

1) de aanpak van het onderzoek past niet in de kaderstelling van de brief d.d. 2 december 2016 van het kabinet, vooral omdat eenzijdig wordt gefocust op het geweld van Nederlandse militairen, terwijl dat nu juist niet de doelstelling van het onderzoek is; 

2) een eenzijdige aanpak en een aantoonbaar en fors tekortschietend bronnen- en archiefonderzoek met een focus op alleen de Nederlandse kant;

3) de beschrijving van de brede historische context ontbreekt;

4) de centrale begrippen worden niet met optimale precisie gedefinieerd (hetgeen volgens het principe ‘zorgvuldigheid’ vereist is); en

5) er is daardoor geen sprake van een wetenschappelijk onderzoek volgens de principes van wetenschappelijke integriteit.

Mr. Bauke Geersing, oprichter/coördinator van de onderzoeksgroep Pleitbezorgers Principes Wetenschappelijke Integriteit ‘AURORE’

 

[1] H. de Jong, ‘De Indonesische dekolonisatieoorlog’, in: Militaire Spectator 190 (2021) (2) 102-103.

[2] Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 173 (2017) (4) 559-570; i.h.b. Bart Luttikhuis, ‘What Makes Violence Extreme, and Who is Responsable?’ 559-561; Robert Cribb, ‘Margins of Extreme Violence’, 565-568 en Rémy Limpach, ‘Reply’, 572-579.

[3] J.J.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van geweld. Het Nederlands-Indonesische conflict (4e herziene druk) (Zutphen, Walburg Pers, 2012).

[4] Onno Sinke, ‘Interview met Piet Kamphuis, directeur van het NIMH’, in: Frederik (zomer 2015) (Den Haag, Nederlands Instituut voor Militaire Historie) 18.

[5]  Cees Somers en Anne Tjepkema, ‘De affaire Pesing. Richtte een ovw-bataljon een bloedbad aan?’, in: Carré, 43 (2020) (5) 6-15 en Bauke Geersing, Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire (1946-1947). Mythe en  werkelijkheid (Soesterberg, Uitgeverij Aspekt, 2019).