Identiteitscrisis: ‘Ik denk, dus ik ben’

Hoe onze denkfouten de doorontwikkeling van de krijgsmacht belemmeren

De veranderende karakteristieken van conflict en de toenemende complexiteit van onze omgeving stellen nieuwe eisen aan de krijgsmacht. We moeten ons continu aanpassen om relevant en slagvaardig te blijven. De huidige veranderingen betekenen misschien wel de noodzaak voor een paradigmaverschuiving in ons denken over conflict, in ons beeld van slagkracht en zelfs in de invulling van militaire identiteit en leiderschap. Het vergt echter durf en mentale lenigheid om onze geconstrueerde ‘waarheden’ over conflict, slagkracht, identiteit en leiderschap ter discussie te stellen.

Kapitein-luitenant ter zee Roel Samson en luitenant-kolonel Gwenda Nielen*

Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Objectief redeneren is voor een mens namelijk onmogelijk. Dat komt doordat er verschillende systematische vertekeningen, zogenoemde cognitieve biases, in ons denken zitten.[1] Zelfs wij, zelfverklaarde rationele denkers, redeneren in meer of mindere mate in de richting van conclusies die wij als waarheid of feit beschouwen en die passen binnen de culturele en sociale context waarin we acteren. Het beïnvloedt hoe en welke informatie we verzamelen, interpreteren en verwerken, wat we ons uit het verleden herinneren en dus ook hoe we de werkelijkheid waarnemen en interpreteren. Hoewel er lezers zullen zijn die dit essay als een persoonlijke aanval zullen ervaren, is het bedoeld als een eye-opener naar mechanismen in ons menselijk denken en processen in onze organisatie die er toe leiden dat we niet objectief en rationeel (kunnen) denken en handelen. Het kritisch reflecteren op systeemproblemen in ons denken en doen die verankerd zijn in onze organisatie, militaire cultuur en identiteit is de eerste stap in het beperken van het negatieve effect van deze ‘normale’, maar ongewenste fenomenen op de keuzes die we maken.

Hoe cognitieve biases ons denken en doen beïnvloeden komt naar voren in de manier waarop ons beeld van moderne dreiging en conflict wordt geconstrueerd en wat dat betekent voor de rol, taak en samenstelling van de krijgsmacht.

Dreiging en conflict

Niet zo lang geleden was de wereld voor de militaire denker relatief overzichtelijk. De leidende wereldbeelden van kapitalisten en communisten stonden lijnrecht tegenover elkaar en alleen fysiek overwicht kon de ander van mening doen veranderen. De opbouw van een nucleair arsenaal dat uiteindelijk leidde tot een patstelling die passend MAD (mutual assured destruction) genoemd werd, kan ook in dat kader worden gezien. De Berlijnse Muur viel en langzaam maar zeker werd duidelijk dat de fysieke Russische legers niet zo formidabel waren als gedacht. De NAVO had na de Koude Oorlog een korte periode van suprematie, hoofdzakelijk gebaseerd op fysieke militaire superieure systemen. Maar onze opponenten hebben, zoals ook de strategische denker en professor David Kilcullen schrijft, veel effectievere manieren gevonden om hun belangen te behartigen dan het gebruik van militaire slagkracht in de fysieke dimensie.[2]  

Photo US Central Intelligence Agency

We moeten open minded naar de wereld kijken om weerstand te kunnen bieden aan de neiging het ‘oude’ conflict te kopiëren naar ons beeld van de toekomst. Foto US Central Intelligence Agency

Tegenwoordig zetten statelijke en niet-statelijke actoren georkestreerd al hun machtsmiddelen in om hun belangen te behartigen ten koste van die van andere staten, de EU, of de NAVO. Deze actoren hebben een grondige analyse gemaakt van de kwetsbaarheden van westerse systemen en weten dit uit te buiten. Het militaire machtsmiddel van lethale confrontatie is daarbij een last resort-strategie geworden. De heersende gedachte is juist om gewapende militaire confrontaties te vermijden: de kosten ervan zijn enorm en wegen eigenlijk nooit op tegen de baten. Daarnaast is het wenselijk om onder de grens van ‘juridisch oorlogvoeren’ te blijven en beïnvloeding van burgers in te zetten, zodat westerse legers tandeloze tijgers blijven in een hermetisch afgesloten box van juridische beperkingen en negatieve publieke opinie. Precies deze twee aspecten, die wij als democratische staten zwaar laten meewegen in onze besluitvorming, zijn voor onze opponenten haast irrelevant.

Op basis van de bovenstaande observaties zouden we met rationele en realistische argumenten toch tot de conclusie moeten komen dat we, naast het doorontwikkelen van mogelijkheden in de fysieke dimensie, nu vooral ook moeten investeren in slagkracht, weerbaarheid en afschrikking in de virtuele én cognitieve dimensie. Hoewel we het al jaren opschrijven in visiedocumenten en beleidsstukken, wordt het niet gedragen in de organisatie of vertaald in de defensieplannen en uitgaven. We zullen daarom meer moeten investeren in een breed militair-strategisch denkvermogen, zodat de visie ook wordt omgezet in daadwerkelijke veranderingen in de organisatie. Dit denkvermogen rondom een modern conflict zou centraal moeten staan; niet alleen binnen het ministerie van Defensie, maar gezien de huidige dreiging ook interdepartementaal. We willen niet verworden tot de dinosaurus van 21e eeuw: groot en in potentie fysiek sterk, maar zonder een goed ontwikkeld strategisch brein en capaciteiten om reële dreigingen het hoofd te bieden.

De realiteit

Waarom blijven we dan toch vooral investeren in capaciteiten die we nodig hebben voor een gewapend militair conflict, waarin we vechten in een hoog geweldsspectrum tegen een near-peer competitor? Een gevecht waarin militaire opponenten tegenover elkaar staan en elkaar met vuurkracht bestrijden; een gevecht zoals we dat kennen uit films en battlefield tours? En dat terwijl we ons midden in het scenario bevinden waarin staten alle machtsmiddelen benutten om ‘ons’ uit te manoeuvreren.[3] In het eerste gevecht zijn de burgers slachtoffer of een factor in de operationele omgeving, maar in de benadering van onze belangrijkste opponenten zijn zij spelers, misschien wel de belangrijkste spelers op het veld.

Waarom houden we als defensieorganisatie dan vast aan een irreëel scenario? Wellicht heeft dat te maken met het beeld dat we hebben geconstrueerd van een krijgsmacht die als last line of defence dient om onze maatschappij fysiek te verdedigen tegen invasies door ‘vijandelijke’ staten, in plaats van een organisatie die een belangrijke rol speelt in preventie van mogelijke brandhaarden, verdediging van nationale belangen en de-escalatie van conflicten en daarvoor overduidelijk meer moet kunnen dan alleen het fysieke verdedigen van grondgebied. Mensen houden van nature niet van complexiteit.

Beeld van conflict

Om open minded naar de wereld te kijken en weerstand te kunnen bieden aan de neiging het ‘oude’ conflict te kopiëren naar ons beeld van de toekomst, moeten we eerst de terminologie rondom conflict ontrafelen. Zoals gezegd hebben wij onze organisatie grotendeels gemodelleerd rondom een beeld van grootschalig conflict in het hoge geweldsspectrum tegen een near-peer competitor. Deze omschrijving is echter slechts passend voor een zeer beperkt aantal oorlogen in de laatste eeuwen en heeft als belangrijkste kenmerk dat we van tevoren niet zeker weten of we deze kunnen winnen. Als we dit in perspectief zien was de laatste oorlog die hieraan voldeed de Tweede Wereldoorlog en zelfs toen was de zaak pas beklonken op het moment dat de VS door Japan in het strijdgewoel werd betrokken. Let’s face it: geen militair die op dit moment in actieve dienst is heeft ooit een dergelijk conflict meegemaakt. Het is des te meer bijzonder dat een oorlog die niemand binnen de huidige krijgsmacht heeft gevochten, model staat voor het kader waaraan we ons spiegelen. De focus ligt daarbij voornamelijk op materieel en de modernisering ervan. Dat is het onderdeel van militair vermogen dat de toets moet kunnen doorstaan van grootschalig conflict. We verliezen uit het oog dat de Tweede Wereldoorlog vooral grootschalig was op het gebied van aantallen manschappen. Miljoenen jonge mannen streden in dit grootschalige conflict vaak te voet en op cruciale momenten waren er niet per definitie vliegtuigen of tanks betrokken.

In het brein van de meeste militaire denkers na 1950 ontstond het beeld van de all-out war. De dreiging is een combinatie geworden van de schaal van de Tweede Wereldoorlog met de doomsday-toevoeging van technologische ontwikkelingen en nucleaire wapens. Geen wonder dat de dreiging van deze potentiële atoomoorlog ook nog impact heeft op het huidige denken over conflict. Want hoewel de illusie van een onvermijdelijke Derde Wereldoorlog is weggenomen, verdween dit angstig makend oorlogsbeeld nooit echt uit onze organisatie. Sean McFate beschrijft in zijn boek Goliath heel pakkend hoe we vastzitten in een verkeerd beeld van het moderne conflict omdat we het baseren op ons beeld van het verleden met daaroverheen een laagje technologie en science fiction.[4]  Logisch ook, want het zelfbeeld van wat een militair moet zijn en kunnen is al die jaren ontleend aan grootschalige conflicten met confrontaties in de fysieke dimensie.

In het huidige internationaal-politieke theater zijn de militaire verhoudingen uit de Koude Oorlog niet fundamenteel gewijzigd; nog altijd heeft de NAVO een substantieel militair voordeel ten opzichte van Rusland. President Poetin weet dit als geen ander, maar hij kent vooral ook de zwakheden van onze alliantie: het onvermogen om buiten de kaders van ‘formele’ oorlog op te kunnen treden, een nadruk op de militaire component van conflict en de fysieke dimensie, een beperkte interdepartementale samenwerking binnen de onafhankelijke staten en de complexe cohesie binnen de NAVO.

Waarom het pijn doet...

Voor veel militairen is militair zijn geen beroep, maar een belangrijk onderdeel van de identiteit. En omdat veel militairen de defensieorganisatie hebben geïnternaliseerd staat het ter discussie stellen van het heersende beeld van conflict of de relevantie van de krijgsmacht gelijk aan het ter discussie stellen van het bestaansrecht van de militair zelf. Identiteit is een emotioneel beladen onderwerp. Het is de basis van wie we (denken te) zijn en alle zaken die de identiteit bedreigen resulteren in weerstand, ontkenning of zelfs agressief handelen. Dat hebben we gezien in maatschappelijke discussies over bijvoorbeeld het stemrecht voor vrouwen, dat de identiteit van de man als autoriteit en de vrouw als gehoorzaam aantastte. Maar ook bij het homohuwelijk, wat de identiteit van echtgenote of echtgenoot veranderde. En denk ook aan de binnenkort weer opspelende discussie rondom Zwarte Piet. Zijn zwarte kleur is volgens sommigen zo cruciaal voor het Nederlanderschap dat deze niet met roetvegen of in een regenboogversie wordt geaccepteerd. Het is duidelijk dat er bij fundamentele veranderingen die de identiteit raken altijd weerstand is. Het zou dan ook een illusie zijn om te verwachten dat militairen hun door de historie heen zorgvuldig opgebouwde identiteit zonder slag of stoot zouden willen of kunnen veranderen. Maar de weerstand gaat dieper, want we hebben niet alleen een verdraaid beeld van conflict, maar ook van de mensheid als geheel.

DARPA

Volgens Sean McFate baseren we ons beeld van het moderne conflict op het verleden met daaroverheen een laagje technologie en science fiction. Foto DARPA

Bij de meeste organisaties die hun bestaansrecht ontlenen aan de donkere kant van de mensheid (zoals de politie en de krijgsmacht) is de identiteit gestoeld op een negatief mensbeeld, zoals beschreven door de Engelse filosoof Hobbes.[5] Veel collega’s geloven sterk in de stelling dat de mens maar een dun laagje beschaving heeft en dat hij, als dit verdwijnt, steevast verandert in een beestachtig wezen. De identiteit van de militair kenmerkt zich door zinsnedes als: ‘wij zijn de laatste optie en wij zijn bereid om te doen wat nodig is als ons land bedreigd wordt’. Deze haast fatalistische benadering vindt in de recente geschiedenis genoeg grond om breed geaccepteerd te worden. De generatie opa’s en oma’s maakte de oorlog nog mee en de babyboomers erna werden door de verhalen haast meegenomen naar de jaren 40-45. Deze generatie groeide vervolgens op in een periode van Koude Oorlog, waarin Flower Power het moest opnemen tegen de voortdurende dreiging van een nucleair armageddon. Werd je daarentegen geboren in de jaren 80-90, dan nam de dreiging vanuit het Oosten af, maar werd de intensiteit van de menselijke gruwelbeelden steeds sterker. Live-televisie vanuit Bagdad, de misstanden in Mogadishu, en Nederlandse VN-militairen die Srebrenica moeten opgeven. Dit alles cumuleert dan in de 21e eeuw, die wordt ingeluid met 9/11 en de terreuraanslagen van Islamitische Staat.

Mensen die het als hun levenstaak zien de wereld te zuiveren van al dit kwaad en die hun identiteit ontlenen aan het vormen van het tegenwicht voor de duistere kant van de mens, denken slechts zelden in nuance. Wie dat wel doet is journalist en schrijver Rutger Bregman. In zijn boek De meeste mensen deugen pelt hij laag voor laag onze menselijke psyche af en maakt korte metten met een heleboel hardnekkige misverstanden. De belangrijkste hiervan is de ‘vernistheorie’.[6] Met een breed scala aan voorbeelden onderbouwt Bregman dat de mens zich niet automatisch beestachtig gaat gedragen zodra de beschaving wegvalt. In legio voorbeelden put hij uit onderzoek naar militairen en juist daarom is dit artikel geschreven, want Bregmans onderzoek geeft aanzet tot het onvermijdelijke: we moeten als militairen onszelf opnieuw leren kennen in een wereld die niet overzichtelijk zwart-wit is, maar supercomplex met intergerelateerde problematieken en meer schakeringen grijs dan we ooit voor mogelijk hielden.

Complexiteit versus zekerheid

We leven als militairen in een onmogelijke tijd. De ene paradox is nog sterker dan de andere en om het nog ingewikkelder te maken ligt het defensieapparaat vrijwel permanent onder een vergrootglas van de politiek en de maatschappij. De omgeving waarin we acteren is ingewikkelder dan ooit, terwijl de bij elke militair steevast ontwikkelde kerncompetenties daadkracht en doorzettingsvermogen ons niet helpen om het geduld en de tijd op te brengen om de complexiteit te leren begrijpen. Twijfel, zich kwetsbaar opstellen of terugkomen op eerder genomen besluiten worden gezien als ontwikkelpunten in plaats van als talent. Het is daarom logisch dat militairen in een steeds complexere wereld houvast zoeken in begrijpelijke en overzichtelijke representaties van de wicked werkelijkheid en in beelden van de wereld zoals die was, de organisatie zoals je hem kende en de kennis die je ooit hebt opgedaan. Het zijn allemaal ankerpunten in een onzekere wereld. De Russische oorlogswals is niet langer een bedreiging, maar vormt wel een ankerpunt voor een overzichtelijk twee-actorenbeeld van conflict en onze identiteit als vechters. We kunnen door op die manier te denken de nuance en risico’s van onduidelijke crisisbeheersingsoperaties en complexe hybride dreigingen achter ons laten in de overtuiging dat het Koude Oorlogsspook nog rondwaart.

Wij als krijgsmacht richten ons op een oorlog van militairen die met tastbare, lethale wapens vechten tegen de combattanten van de opponent en zien oorlog bijvoorbeeld niet in de vorm van hulpgoederen en beademingsapparatuur. Wij (h)erkennen de Chinese militaire hulp aan de Balkan tijdens de Covid-19-uitbraak niet als agressie of oorlogshandeling en als krijgsmacht sluiten we daarmee uit dat er voor ons een rol is weggelegd in de conflicten van vandaag (en morgen). En dit terwijl deze hulp een zeer doelgericht en beoogd effect genereert: het ondermijnt het vertrouwen van de Serviërs in Europa en effent het pad voor meer Chinese invloed. En zo, terwijl statelijke actoren ons van alle kanten uitmanoeuvreren, richten wij ons op het militaire Russische spook dat we kennen en denken te begrijpen. Dat we meer bezig zijn met de historie dan met de toekomst is geïnstitutionaliseerd.[7] En in de op het verleden gefocuste mindfuck benadrukken we vooral dat wat ons zelfbeeld bevestigt. Bij de blitzkrieg kijken we dan bijvoorbeeld naar tanks die over de hoogvlaktes manoeuvreerden, terwijl blitzkrieg voor het overgrote deel Information Manoeuvre was, gericht op de cognitieve dimensie.[8] En zo blijven we als militairen volhouden dat het grootschalige conflict in het hoogste geweldsspectrum tegen een near-peer competitor het uitgangspunt zou moeten zijn bij de ‘door’-ontwikkeling van de krijgsmacht. Met andere woorden: we creëren het conflict in ons hoofd dat het beste past bij wie we zijn, omdat de realiteit van de huidige dreiging niet langer aansluit bij wie we zijn.

Perspectief voor de toekomst

Moderne conflicten worden tegenwoordig vooral uitgevochten in de digitale en cognitieve dimensies en zijn geen openlijke militaire confrontaties. Onze opponenten richten zich namelijk volgens goed militair gebruik op onze zwaktes. Tegelijkertijd staren wij ons blind op het gevecht dat we denken te kennen en negeren signalen die ons vertellen dat we misschien wel radicaal moeten veranderen om relevant te blijven. We worstelen overduidelijk met onze eigen biases en het referentiekader waarbinnen we zijn opgevoed en negeren daarbij de logische conclusies die we moeten verbinden aan de analyse van onze opponenten: oorlogvoering in de 21e eeuw ziet er fundamenteel anders uit dan voorheen. Activiteiten in de fysieke dimensie blijven belangrijk, in de eerste plaats als afschrikking, maar ook om in te kunnen grijpen wanneer dat nodig is. Maar omdat onze slagkracht volledig scheef is opgebouwd in het licht van het moderne conflict is het noodzaak om nu expertise, operationele concepten en capaciteiten te ontwikkelen die de cognitieve en virtuele dimensies benutten, van strategisch tot tactisch niveau.

MCD Jarno Kraayvanger

Militair optreden houdt tegenwoordig meer in dan klassieke manoeuvre en vindt deels plaats in de digitale en cognitieve dimensies; talent moet alle kans krijgen om zich daarvoor te ontwikkelen. Foto MCD, Jarno Kraayvanger

Gelukkig hebben we een groot menselijk kapitaal dat dit potentieel mogelijk maakt; hoogopgeleid, cultureel sensitief en met kritisch denkvermogen. Daarnaast hebben we een jongere generatie die in het informatietijdperk is opgegroeid en daardoor goed genetwerkt is, ook buiten de defensieorganisatie. Met de veranderende context van militair optreden en een hernieuwde analyse hoe we invulling moeten geven aan de bij wet aan ons toebedeelde taak,[9] worden de mensen in de organisatie niet ineens irrelevant. Mensen worden alleen maar irrelevant als ze niet in staat zijn om zich kwetsbaar op te stellen en kritisch te reflecteren op de context en zichzelf. Wie open staat voor verandering en vanuit een mindset van een leven lang leren een rol zoekt binnen de organisatie waar zij/hij tot haar/zijn recht komt, zal nooit overbodig zijn. We betogen niet dat mensen bewust de werkelijkheid anders voorspiegelen en de weergave van een modern conflict en de consequenties ervan voor de krijgsmacht expres verdraaien. Maar als we ons bewuster zijn van de subjectieve ‘waarheden’, associaties, aannames en vooroordelen en hoe deze onze perceptie, keuzes en handelen sturen, kunnen we de impact van gemotiveerd redeneren beperken. We moeten daarvoor dan eerst accepteren dat mensen geen neutrale informatieverwerkingssystemen zijn waarmee objectieve beeldvorming kan worden gerealiseerd. Ten slotte moeten we vorming gaan zien als het ontdekken en ontwikkelen van talent en niet als een middel om mensen voor het grootste deel in dezelfde mal te laten passen. Niet assimilatie en homogeniteit als streven, maar integratie en diversiteit in de organisatie, met behoud van dat wat iemand waardevol maakt.

Stilstand is achteruitgang: laten we dus in beweging komen. Want Defensie bestaat alleen maar omdat wij, mensen, er invulling aan geven. Wij kunnen en moeten dus zelf de verantwoordelijkheid nemen om veranderingen in gang te zetten. Dat is de enige manier om als krijgsmacht effectief op te kunnen treden tegen de dreiging van vandaag en de toekomst, niet die van het verleden.

 

* Roel Samson is werkzaam bij de staf van het Defensie Cyber Commando. Gwenda Nielen werkt bij de Counter Hybrid Unit van het Directoraat-Generaal Beleid. Dit essay is geschreven op persoonlijke titel.

[1] Biases die ons belemmeren objectief te kunnen zijn, zijn onder meer: cognitieve dissonantie, confirmation bias, groupthink, consistency, self-serving bias, Dunning-Kruger-effect, empathy gap, loss aversion, mere exposure effect, overconfidence effect en de Semmelweis-reflex.

[2] David Kilcullen, The Dragons and the Snakes. How the Rest Learned to Fight the West (Londen, Hurst, 2020).

[3] Dit betekent de strategische en opportunistische inzet van een combinatie van diplomatieke, informatie-, militaire, economische, sociale en juridische (Lawfare) machtsmiddelen.

[4]  Sean McFate, Goliath: Why the West isn’t winning. And what we must do about it (Londen, Penguin, 2019).

[5] Thomas Hobbes, Leviathan or the Matter, Forme and Power of a Commonwealth Ecclesiastical and Civil (orig. 1651) (geredigeerd met introductie: Londen, Penguin, 2017).

[6] Rutger Bregman,  De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens (Amsterdam, De Correspondent, 2019) 25.

[7] Zie ook: Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance (Stanford, Stanford University Press, 1957). Festinger geeft aan dat mensen inconsistentie tussen gedrag en geloof of attitude als onprettig ervaren, en daarom gemotiveerd zijn om gedrag en geloof in overeenstemming met elkaar te brengen.

[8] Zie: Lawrence Freedman, The Future of War. A History (Londen, Penguin, 2017).

[9] Grondwet, Artikel 97: Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.