Verdediging tegen imagefare

Het gebruik van beeldvorming als wapen

Imagefare wordt gebruikt om desinformatie te verspreiden. Het houdt in dat beeldvorming wordt ingezet als wapen ter vervanging van traditionele militaire middelen. Vooral in asymmetrische conflicten die veel media-aandacht genieten, komt imagefare voor. In westerse staten kan, door het democratische systeem, imagefare grote gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat een westerse staat zich tegen imagefare kan wapenen. Dit artikel beschrijft en analyseert vier mogelijkheden om dit te doen: de negatieve beeldvorming beperken, de verspreiding van die beeldvorming stoppen, het betwisten van de betrouwbaarheid van de beeldvorming, en het ontwikkelen van een eigen narratief. Westerse staten kunnen vooral winst halen door negatieve beeldvorming te beperken, wat bereikt kan worden door op elk niveau en bij elke militaire activiteit rekening te houden met de perceptie die wordt gecreëerd. Daarnaast kan een staat door een eigen narratief te ontwikkelen de bevolking weerbaarder maken tegen beeldvorming van de opponent.

Cadet-vaandrig mr. drs. S.A. van Hout*

Dat de heersende perceptie van een conflict bij het thuisfront van grote invloed kan zijn op het verloop van een conflict is niet nieuw. Beeldvorming, bijvoorbeeld door het gebruik van visuele beelden in de media, is hierbij van groot belang.[1] Zo is voor velen de foto van het meisje Kim Phúc, dat naakt en schreeuwend van de pijn wegrent na een napalmaanval door het Zuid-Vietnamese leger, misschien wel hét beeld van de Vietnamoorlog.[2]

Hoewel de term ‘CNN-effect’ zijn intrede pas deed tijdens de eerste Golfoorlog, werd met de komst van het nieuwe genre van fotojournalistiek, oorlogsfotografie, al geëxperimenteerd in de Frans-Duitse Oorlog. In het interbellum werd fotografie verder ontwikkeld en sinds de Spaanse Burgeroorlog, waarvan de dagelijkse verslaggeving in kranten gepaard ging met actuele foto’s, speelt visueel beeldmateriaal een grote rol in de beeldvorming van een conflict. Met de komst van de televisie kwamen door technologische ontwikkelingen de beelden van conflicten nog meer de huiskamer binnen en bleken deze beelden een directe invloed op de publieke opinie te kunnen uitoefenen. De gekantelde publieke opinie in de Vietnamoorlog wordt vaak gekoppeld aan de visuele beelden van de oorlog die in het nieuws verschenen.[3]

Facebook

Imagefare wordt gebruikt om desinformatie te verspreiden en beeldvorming te beïnvloeden

Ook het beeldmateriaal van de dode Amerikaanse soldaat die door de straten van Mogadishu werd gesleept, ging de hele wereld over en kenmerkte het begin van het einde van de aanwezigheid van de Amerikaanse troepen in Somalië.[4] Beeldvorming kan dus een grote invloed hebben op het narratief en daarmee op het verloop van een conflict.

Door technologische ontwikkelingen zoals het internet en mobiele telefoons met camera is de stroom van informatie in de wereld gegroeid.[5] Door deze ontwikkelingen en nieuwe vormen van media zijn niet alleen conventionele media in staat om het narratief te bepalen, maar iedereen met een internetverbinding. Hiermee kan een staat of non-state actor (nsa) het narratief beïnvloeden of zelfs bepalen. Volgens Ayalon zijn in asymmetrische conflicten de media een belangrijk wapen geworden van moderne oorlogvoering.[6] De actor die het narratief van een conflict kan bepalen, heeft derhalve de heilige graal in handen.

Sommige landen en nsa’s hebben dit beter begrepen dan westerse staten.[7] Zo is voor Al Qaida het informatiedomein het meest prominent, terwijl informatie voor westerse staten slechts een ondersteunende rol speelt in een conflict.[8] Daar komt nog eens bij dat westerse journalisten vaak gebonden zijn aan ethische journalistieke normen, waarbij waarheidsgetrouwe berichtgeving belangrijk is. Andere staten en nsa’s voelen zich in hun beeldvorming of berichtgeving niet aan deze normen gebonden en gebruiken imagefare om een bepaald narratief te creëren. Omdat de stroom van informatie sneller en groter is geworden, is het van belang dat staten zich kunnen wapenen tegen deze narratieven die hun aan de ‘slechte kant’ van een conflict plaatsen.      
           
Dit artikel onderzoekt en analyseert verschillende manieren waarop westerse staten zich kunnen verdedigen tegen imagefare, het inzetten van beeldvorming als wapen in een conflict, als alternatief voor traditionele militaire middelen. Hiertoe wordt eerst gekeken naar wat imagefare inhoudt en waarom het vooral voor westerse staten van belang is om zich hiertegen te wapenen. Vervolgens worden verschillende mogelijkheden geanalyseerd hoe een westerse staat zich kan verdedigen tegen imagefare. Afsluitend komt aan de orde waar het zwaartepunt van westerse staten moet liggen in de verdediging tegen imagefare.

Imagefare

Het hybride conflict en imagefare  

De term hybrid warfare kreeg bekendheid nadat de Israëlische strijdkrachten in 2006 niet bleken opgewassen tegen Hezbollah tijdens de Israëlisch-Libanese oorlog.[9] Volgens Hoffman gebruikte Hezbollah, een nsa, een combinatie van conventionele en onconventionele middelen en liet de beweging hiermee zien dat nsa’s in staat kunnen zijn om kwetsbaarheden van westerse krijgsmachten te ontdekken en te gebruiken.[10] Een debat over de opkomst en betekenis van hybride conflictvoering volgde en groeide na de annexatie van de Krim door Rusland. De literatuur kent verschillende definities en aanduidingen van hybride oorlogvoering.[11] Wat de meeste definities met elkaar gemeen hebben is dat er bij een hybride conflict of dreiging zowel militaire als niet-militaire middelen worden ingezet om een strategisch doel te bereiken, waarbij desinformatie en misleiding een grote rol spelen.[12] Hybride conflictvoering veronderstelt een gewapend conflict waarin tegenstanders deze verschillende middelen tegelijkertijd inzetten, terwijl onder hybride dreiging juist het gebruik van niet-militaire middelen in vredessituaties wordt verstaan om zo het functioneren van een maatschappij te ondermijnen.[13] In dit artikel staat het hybride conflict centraal, aangezien imagefare tijdens een conflict wordt toegepast. Hybride conflicten worden dus niet slechts op het conventionele slagveld gewonnen of verloren, maar op verschillende fronten, waardoor de staat genoodzaakt is om meerdere machtsinstrumenten in te zetten. Bij deze geïntegreerde inzet kan gebruik worden gemaakt van diplomatieke machtsmiddelen, informatie als machtsmiddel, militaire machtsmiddelen en economische machtsmiddelen (DIME). In de gereedschapskist van de niet-militaire middelen die gebruikt kunnen worden in een conflict, zit dus ook het gebruik van het informatiedomein.[14] Imagefare maakt hier deel van uit.   

Hezbollah War 2006

Een Israëlische militair maakt een Hezbollah-bunker onschadelijk in 2006. Dat conflict liet zien dat nsa’s in staat zijn kwetsbaarheden van westerse krijgsmachten te gebruiken. Foto Israel Defense Forces

Wat is imagefare?

In asymmetrische conflicten, waar een van de conflictpartijen inferieur is aan de ander voor wat betreft de fysieke militaire capaciteiten, kan de militair zwakkere partij toevlucht nemen tot het gebruik van beeldvorming om het conflict te winnen. Beeldvorming wordt derhalve ingezet als wapen om het gebrek aan voldoende militaire capaciteit te ondervangen. Imagefare wordt als volgt gedefinieerd: ‘The use of images as a guiding principle or a substitute for traditional military means to achieve political objectives, or influence public perception about their conflict, and to achieve success on the image battlefield that plays an important role in modern conflict along with military confrontation.’[15]

Images zijn representaties van de werkelijkheid, die door woorden, beeldmateriaal, en daden kunnen worden overgebracht.[16] Onder images worden in imagefare dus niet enkel visuele beelden verstaan, maar ook de perceptie van een conflict die wordt overgebracht. In dit artikel wordt daarom voor images de term beeldvorming gebruikt. Visuele beelden hebben desalniettemin een grote invloed op de beeldvorming van een conflict.[17] ‘Pictures speak louder than words’, aldus Bolt.[18] Een enkele afbeelding lijkt het conflict te kunnen vatten en fungeert als een short-cut naar de essentie van een conflict.[19] Een visueel beeld kan namelijk complexe situaties versimpeld weergeven. Met het maken of vrijgeven van een visueel beeld wordt meer gedaan dan slechts de verslaggeving van een gebeurtenis. Visuele beelden van conflicten zijn gekleurd in de zin dat ze een ‘goed’ of ‘fout’ laten zien. Ze vertellen aan de ontvanger wie in het conflict de held is, en wie de schurk. De interpretatie van de afbeelding vormt een realiteit voor het publiek en speelt daarmee een grote rol in imagefare.[20]

Imagefare komt vooral voor in asymmetrische conflicten met veel media-aandacht.[21] Asymmetrische conflictvoering kan in dat geval ook een hybride conflict zijn, aangezien naast militaire middelen ook niet-militaire middelen worden ingezet om het gebrek aan militaire middelen op te heffen en omdat desinformatie een grote rol speelt. Kwetsbaarheden in de traditionele westerse manier van oorlogvoering worden hiermee blootgelegd. De media worden gebruikt om een bepaalde perceptie over te brengen. Zoals beschreven in de inleiding, is het gebruik van media in conflicten niet nieuw. Conflicten zijn gezien hun dramatische aard nieuwswaardige gebeurtenissen. In het algemeen richt het nieuws zich vaak op conflicten en wanorde.[22] Omdat opponenten in een conflict weten dat het conflict veel media-aandacht zal krijgen, wedijveren zij over hoe het conflict wordt geframed.[23] Zowel statelijke actoren als nsa’s gebruiken de media om hun eigen handelen te legitimeren.[24] Bij het winnen van de hearts and minds, of dat nou bij het thuisfront is, de internationale gemeenschap of juist de opponent, speelt beeldvorming dus een grote rol.

Bolt beschrijft in zijn boek The violent image dat insurgents door middel van beeldvorming alternatieve wereldbeelden onder het publiek kunnen verspreiden en plaatsen tegenover het narratief dat wordt uitgedragen door de staat.[25] Hierbij wordt ingespeeld op de emotie en aansluiting gezocht bij de cultuur en historie die in het collectief geheugen van het publiek zijn verankerd, met als gevolg dat deze alternatieve narratieven hout lijken te snijden bij het publiek. Hiermee wil de opponent de verhoudingen tussen het publiek en de regering op scherp stellen. Het gebruik van imagefare kan een voor de westerse staat ongunstig narratief over het conflict laten ontstaan of versterken en kan de westerse staat hiermee op flinke achterstand zetten in the war on ideas.[26]

Imagefare moet worden onderscheiden van het CNN-effect, de veronderstelling dat de mainstream media besluitvorming over buitenlandbeleid in grote mate kunnen beïnvloeden.[27] Bij het CNN-effect gaat het om de reguliere media die verslag doen van een conflict of buitenlandse aangelegenheid. Bij imagefare gaat het om het gebruik van beeldvorming als vervanging van traditionele militaire middelen in een conflict door een partij in dat conflict. Reguliere mediavormen kunnen het effect van imagefare wel versterken als zij de beelden van de opponenten meenemen in hun nieuwsberichten. In dat geval komen de beelden immers bij een groter publiek terecht. Overigens wordt het CNN-effect in de literatuur genuanceerd.[28]

DARPA

De informatiestroom is enorm toegenomen, waardoor imagefare een vlucht heeft genomen.  Illustratie DARPA

Wat imagefare relevant en actueel maakt is dat door technologische ontwikkelingen de informatiestroom enorm is toegenomen. Ook zijn er nieuwe vormen van media ontstaan, waarop iedereen met toegang tot internet beelden kan delen. Westerse journalisten zijn veelal gebonden aan ethische codes, maar in hedendaagse conflicten kan elk individu zijn eigen nieuws verspreiden en dus een bepaalde perceptie uitdragen. Als cyber-identiteiten, digitale weergaven van een individu of een groep, de perceptie van een conflict pogen te veranderen of beïnvloeden, spreken we van soft-cyberoperaties.[29] Dit is het geval als het internet wordt gebruikt om via socialemedia-accounts de perceptie te beïnvloeden.

De invloed van imagefare in democratieën

Juist in democratieën kan een bepaalde perceptie van een conflict dat door imagefare bij het publiek terecht komt een grote impact hebben. Dit heeft ten eerste te maken met het feit dat in democratieën vaak geen censuur bestaat, in tegenstelling tot autocratische staten. Elke inwoner kan daardoor worden blootgesteld aan beelden die een bepaalde kleur geven aan de werkelijkheid. Ten tweede kan het narratief dat wordt uitgedragen door beelden een indirect strategisch gevolg teweegbrengen in democratieën.[30] De kern van de democratie is namelijk volksvertegenwoordiging en de publieke opinie speelt in democratieën dan ook een grote rol.[31] Wanneer de bevolking merkt dat van de snelle overwinning die door de regering beloofd was geen sprake is, of als er bodybags terugkomen, groeit de weerstand tegen de inzet van militaire middelen in het conflict.[32] Bovendien blijkt dat in democratieën het maatschappelijk draagvlak voor het conflict daalt naarmate het conflict langer duurt.[33] Merkt een volksvertegenwoordiger dat het draagvlak binnen zijn of haar achterban afneemt, dan moet hij of zij hierover verantwoording afleggen en veranderingen doorvoeren om de achterban tevreden te houden.[34] De regering is hierdoor genoodzaakt zich te wenden tot middelen die de steun van de inwoners weer vergroten, wat soms betekent dat het beleid moet worden herzien. Dit niet alleen met het oog op het conflict zelf, maar ook omdat dit draagvlak van de achterban tevens een politiek of zelfs persoonlijk belang heeft. Verkiezingen in democratieën vinden immers regelmatig plaats. Autocratische staten hebben hier logischerwijs minder last van, aangezien de stem van het volk in mindere mate meetelt in beleidsvorming. Imagefare is daarom uitermate geschikt om te gebruiken tegen westerse staten. Het kan de publieke steun voor een conflict doen afbrokkelen en hiermee indirect het verloop van het conflict sturen.[35]

Verdediging tegen imagefare

Voorheen richtten westerse staten zich vooral op kinetische operaties, waarbij de opponent met name in het fysieke domein werd aangepakt.[36] Langzamerhand wordt erkend dat new school operations, waar wapens niet alleen in het fysieke domein worden gezocht, maar ook in het informatiedomein, van groot belang zijn.[37] De focus van westerse staten op de fysieke component van militair vermogen heeft hun op achterstand gezet.[38] Het is duidelijk dat westerse staten het belang van imagefare moeten inzien en naar adequate mogelijkheden moeten zoeken om zich hiertegen te wapenen. Maar hoe kan een staat zich het beste wapenen tegen een beeldenoverstroming van een onbekende afzender die zich op het (sociale)mediafront bevindt? Imagefare kan niet worden uitgeroeid. Wel kan de beeldvorming gestuurd worden en kunnen de effecten van imagefare worden beperkt. In de literatuur zijn vier mogelijkheden te onderscheiden om dit te bereiken.  

Negatieve beeldvorming beperken

Ten eerste heeft de staat de mogelijkheid om beeldvorming te beïnvloeden. Ayalon stelt dat, gezien het feit dat de informatiestroom niet meer te sturen is, beleidsmakers tijdens het plannen van militaire acties zich moeten laten leiden door mogelijk gebruik van imagefare door de opponent en de hieraan verbonden gevolgen.[39] Militaire optredens kunnen dan zodanig gepland en georkestreerd worden dat de kans op verspreiding van ongunstige beelden, die het narratief en daarmee de legitimiteit van het militair optreden in twijfel trekken, kleiner wordt. Het bewustzijn van de gevolgen van imagefare tijdens een conflict kan de acties van krijgsmachten direct beïnvloeden doordat zij ten gevolge van die aanwezigheid gaan handelen op een manier die de media en het thuisfront zal bevallen.[40] De taak ligt hier dus bij de krijgsmacht.

Het Allied Command Transformation van de NAVO heeft in het kader van de Multinational Capability Development Campaign (MCDC) 2017-2018 een handboek samengesteld waarin uitgebreid wordt ingegaan op de wijzen waarop militair strategische communicatie kan worden toegepast in operaties.[41] Strategische communicatie heeft als doel het publiek van waarheidsgetrouwe informatie te voorzien met als gevolg dat het publiek wordt beïnvloed om de doelen van de informatiegever te ondersteunen.[42] In het handboek wordt omschreven dat bij elk aspect van militaire activiteiten communicatie een rol speelt, of dat nu gewenst is of niet.[43] Tijdens een conflict is de krijgsmacht, onbewust of bewust, continu in een strijd verwikkeld in het informatiedomein. De krijgsmacht speelt hier een rol als hoeder van het politieke narratief en moet ervoor zorgen dat het politieke doel gereflecteerd wordt in alle aspecten waarvan communicatie kan uitgaan bij militaire inzet. Het handboek suggereert dan ook dat informatie als een operationele factor moet worden beschouwd waarmee tijdens het gehele planningsproces rekening moet worden gehouden.[44] De communicatie die van militaire activiteiten uitgaat komt niet alleen terecht bij de opponent, maar ook media, het thuisfront, belanghebbenden en civiele partners kunnen ontvanger zijn. De situational awareness voor wat betreft het informatiedomein dient dus te worden vergroot. Dit kan door een geïntegreerde communicatiebenadering, waarbij communicatie op elk niveau meegenomen wordt in de planning en de uitvoering van militaire activiteiten. Van commandanten van hoog tot laag wordt verwacht dat zij een proactieve houding hebben ten aanzien van strategische communicatie en dat ze ervoor zorgen dat het oogmerk van de hogere commandant, waar het gaat om communicatie, weerklinkt in de planning en uitvoering.     

Het verkleinen van de kans op negatieve beeldvorming is niet in alle gevallen mogelijk. Zoals hierboven is uitgelegd kan ook een neutrale situatie geframed worden zodat die een bepaald gevoel opwekt bij de ontvanger van het beeld, terwijl deze beeldvorming niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Voorts bieden de groeiende technologie en de toegang tot het internet mogelijkheden om gefotoshopte beelden te verspreiden. Ook is het voorkomen van negatieve beeldvorming door strategische communicatie geen oplossing voor deep fakes: video’s of audiobestanden die door kunstmatige intelligentie zodanig bewerkt zijn dat het lijkt alsof een persoon bepaalde dingen zegt of doet die hij in werkelijkheid niet heeft gezegd of gedaan. Deze beelden en audiofragmenten zijn dermate realistisch, dat de betrouwbaarheid ervan niet direct te betwisten is. De verwachting is dat deep fakes in de toekomst worden ingezet als militair middel door grootmachten als Rusland, China, de Verenigde Staten en nsa’s.[45] Het inzetten van deep fakes kan grote consequenties hebben. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan bewerkte beelden waarop militairen oorlogsmisdaden lijken te plegen, wat een kanteling van de publieke opinie over het conflict tot gevolg kan hebben. Maar ook het geval dat een wereldleider lijkt aan te kondigen dat militair ingrijpen voorhanden is, kan grote interstatelijke spanningen tot gevolg hebben en zelfs de wereldorde bedreigen.[46]

Photo White House

Bewerkte beelden, deep fakes, van wereldleiders kunnen grote internationale gevolgen hebben. Foto The White House, D. Myles Cullen

Verspreiding van beeldvorming stoppen

Een tweede mogelijkheid om imagefare te beperken is het stoppen van de verspreiding van beeldvorming. Met name visuele beelden worden wanneer zij gebruikt worden voor imagefare via verschillende kanalen veelvuldig gedeeld. Socialemediakanalen als Twitter en Facebook zijn actief bezig om accounts te sluiten die nepnieuws verspreiden.[47] Echter, de verspreiders anticiperen hierop. Zo bleek dat Islamitische Staat (IS), die Twitter gebruikt om te rekruteren en zijn ideologie te propaganderen, elke keer na het sluiten van een account een nieuw account aanmaakte dat snel in het netwerk van de volgers van het oude account werd geïntegreerd.[48] Op deze manier kon IS tot halverwege 2014 ervoor zorgen dat het sluiten van de Twitteraccounts de informatiestroom niet of nauwelijks beperkte. Bovendien pasten de gebruikers de inhoud van berichten zo aan dat ze voldeden aan de richtlijnen van Twitter en daardoor minder snel gedetecteerd werden.

Een ander voorbeeld is Rusland, dat in Sint-Petersburg een ‘trollenfabriek’ heeft staan. Het personeel verspreidt en deelt zoveel mogelijk fake news via verschillende kanalen.[49] Daarnaast worden bots ingezet, computerprogramma’s die berichten bijvoorbeeld snel kunnen retweeten, waardoor de berichten een groter publiek bereiken.[50]

Het verminderen van de stroom aan berichten is dus een omvangrijke taak. Bovendien zijn staten hierbij afhankelijk van socialemediabedrijven als Facebook en Twitter, de platformen waar de beelden worden gedeeld. Daarnaast sluiten deze platformen een account slechts in het geval dat gebruikersrichtlijnen worden geschonden. Beelden of berichten die zodanig geframed worden dat ze een voor de staat ongunstige perceptie uitdragen, maar wel enigszins op de werkelijkheid berusten, vallen hier niet onder. Een andere manier om verspreiding van negatieve beeldvorming te stoppen, is het actief optreden door de staat in de vorm van elektronische oorlogvoering en het uitvoeren van cyberoperaties.[51]

Het betwisten van de betrouwbaarheid van de beeldvorming   

Ten derde kan het waarheidsgehalte van de beeldvorming worden betwist, om zo de effecten van imagefare te beperken.[52] Dit is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Hoewel het belangrijk is voor westerse staten om ongunstige beeldvorming van een conflict van context te voorzien, is het kwaad veelal geschied op het moment dat beelden en berichtgeving in de media zijn verspreid. Het publiek heeft zijn opinie over het conflict dan al gevormd. Dit komt mede door het bestaan van anchoring, de bias die ervoor zorgt dat individuen meer waarde hechten aan informatie die als eerste beschikbaar is gesteld.[53] Aanvullende informatie wordt dan in het licht van de eerder beschikbaar gestelde informatie geïnterpreteerd. De eerste indruk is lastig te weerleggen en pogingen hiertoe zijn zelden effectief.[54] Dit geldt des te meer omdat de term fake news te pas en te onpas wordt gebruikt, waardoor mensen minder snel geneigd zijn, als bepaalde beeldvorming uiteindelijk dit stempel krijgt, dit te geloven. Dat berichtgeving of beelden die verspreid zijn als zodanig worden geclassificeerd, betekent dus niet dat de publieke opinie daarmee direct gekanteld wordt.[55] Ook kan er enige tijd overheen gaan voordat de betrouwbaarheid van de berichtgeving of beelden, bijvoorbeeld bij deep fakes, is onderzocht. Gedurende deze tijd kan de beeldvorming al snel verspreid worden en kan de staat niet in een eerste reactie de gebeurtenissen zoals weergegeven ontkennen en hiermee geruchten de kop indrukken. Dit kan vervolgens bij de bevolking overkomen als een bevestiging van hetgene dat wordt afgebeeld, want wie zwijgt, stemt toe.

Overigens is het bestrijden van het waarheidsgehalte slechts mogelijk in het geval dat de beelden of berichtgeving ook daadwerkelijk een ander beeld vertonen dan de werkelijkheid. Van de foto’s die naar buiten kwamen van de Abu Ghraibgevangenis, die blijk gaven van de misstanden die daar hadden plaatsgevonden, kon het waarheidsgehalte simpelweg niet worden betwist. De effecten van de beeldvorming kunnen in dat geval moeizaam worden beperkt.    

Een eigen narratief

Een vierde mogelijkheid is het creëren van een eigen narratief. Om op deze wijze een eigen perceptie van het conflict aan de wereld te laten zien, is niet alleen cruciaal om te bereiken dat militaire operaties als een nationaal succes worden gezien.[56] Zoals hierboven genoemd kan strategische communicatie namelijk ook het thuisfront als ontvanger hebben. Het hebben van een sterk en geloofwaardig narratief tegenover het thuisfront kan tot gevolg hebben dat er mentale weerbaarheid ontstaat bij de eigen bevolking tegen het narratief van een opponent, dat door imagefare bij de ontvangers terechtkomt.[57]         

Weerbaarheid is het vermogen van een sociaal systeem om zich voor te bereiden op verstoringen, het herstellen na verstoringen en om zich aan te passen en te groeien nadat een verstoring is opgetreden.[58] Aangezien in hybride conflicten desinformatie en misleiding een grote rol spelen, moet mentale weerbaarheid meer aandacht krijgen, oftewel, hoe een maatschappij weerbaar kan zijn tegen desinformatie en misleiding door middel van berichtgeving en beeldvorming.[59] Mentale weerbaarheid kan onder andere vergroot worden door het versterken van het narratief van de staat over hoe het conflict gepercipieerd moet worden.[60] Hoe bestendiger het narratief van de staat is, des te lastiger het is voor de opponent om dit narratief door middel van imagefare te betwisten.[61] Is het narratief dat een staat uitdraagt juist wankel, tegenstrijdig of niet zichtbaar, dan zal imagefare eerder effect sorteren bij het thuisfront, met alle gevolgen van dien.[62] Hierbij is, zoals hiervoor besproken, van belang dat in het planningsproces op elk niveau rekening wordt gehouden met het beeld dat de krijgsmacht tijdens een conflict wil uitdragen, met welk verhaal er moet worden verteld. Dit eigen narratief van de westerse staat kan verspreid worden door middel van de eerder besproken strategische communicatie.[63] Het thuisfront is dan de ontvanger van de communicatie. Ook kunnen staten een gezamenlijk narratief uitdragen, wat geopperd wordt in het NCTV-rapport Chimaera.[64] Een narratief moet aan bepaalde eisen voldoen, wil het invloed hebben op de weerbaarheid van de bevolking.

MCD Gerben van Es

Nederlandse militairen patrouilleren in Mali. Voor een succesvol narratief moet het doel van militaire inzet duidelijk zijn. Foto MCD, Gerben van Es

Ten eerste moet het narratief op strategisch niveau overeenkomen met het narratief dat op operationeel en zelfs op tactisch niveau wordt neergezet. [65] Bestaat hier discrepantie, dan gaat dat ten koste van de geloofwaardigheid. De Graaf noemt in dit verband ook dat een strategisch narratief consistent en coherent moet zijn.[66] Als belangrijke elementen van een gekozen narratief vaak aangepast worden neemt de geloofwaardigheid van het narratief af. Als er dan een counter-narratief bestaat, dat een meer consistent en coherent verhaal vertelt over het verloop van het conflict en duidelijker laat zien wie de held en wie de schurk is in het conflict, is de bevolking eerder geneigd uit te gaan van deze beeldvorming. Ten tweede moet er voor de inzet van militaire middelen een duidelijk doel worden gecommuniceerd.[67] Het is cruciaal dat een ondubbelzinnige reden kan worden gegeven voor de inzet. Wanneer die er niet is, blijft de bevolking met vragen zitten die de opponent maar al te graag wil beantwoorden. Ook het vooruitzicht op succes moet worden gecommuniceerd.[68] Wordt dit nagelaten dan zal de steun voor de militaire inzet sneller afnemen. Ten slotte moet het narratief ook feitelijk en verifieerbaar zijn.[69] Natuurlijk kan de realiteit het narratief inhalen en moet het misschien worden bijgesteld, maar de bevolking moet erop kunnen vertrouwen dat wat de staat verkondigt op waarheid berust.[70] Het probleem bij het uitdragen van een eigen narratief is dat de zender geen controle meer heeft over de interpretatie van elementen van het narratief.[71] Hierdoor kunnen verschillende ontvangers een narratief op verschillende manieren interpreteren. Om dit tegen te gaan is het belangrijk dat het narratief aansluit bij de cultuur en geschiedenis van het publiek.

Het risico van het uitdragen van een sterk narratief om imagefare tegen te gaan, is dat het bestempeld kan worden als propaganda, een omstreden begrip dat wordt geassocieerd met misleiding en het verspreiden van leugens.[72] Wanneer een narratief dit stempel krijgt, staat de geloofwaardigheid ervan direct op het spel. Om deze reden is het van groot belang dat de staat een balans vindt tussen transparantie en de noodzaak om te communiceren met de bijbedoeling de bevolking een bepaald beeld op te leggen.[73]       

Conclusie

Dit artikel heeft gepoogd verscheidene manieren uiteen te zetten waarop westerse staten zich kunnen wapenen tegen imagefare. Hiertoe is eerst uiteengezet wat imagefare inhoudt en welke relatie het heeft met hybride conflictvoering. Besproken is dat met name beeldmateriaal een perceptie kan beïnvloeden. Daarna is ingegaan op de gevolgen die imagefare teweeg kunnen brengen en waarom het juist voor westerse staten, gezien de invloed die de publieke opinie heeft op de besluitvorming, belangrijk is zich hiertegen te verdedigen. Vier mogelijkheden zijn geanalyseerd die een westerse staat heeft om beeldvorming van de opponent te sturen en de gevolgen van imagefare te beperken.   

Hoewel de ene mogelijkheid meer effect kan sorteren dan de andere, is het van belang dat de verschillende manieren in samenspel kunnen worden gebruikt. Het stoppen van informatiestromen en het tegenspreken van een narratief zijn beide omvangrijke en lastige taken, omdat het stoppen van informatiestromen nagenoeg onmogelijk is en tegenspreken van een narratief vaak niet een gewenst effect heeft. De voornaamste oplossing lijkt gevonden te kunnen worden in het gebruik maken van het feit dat media overal aanwezig zijn, door middel van de zichtbare militaire operaties op een dergelijke manier uit te voeren dat een negatieve beeldvorming minder snel kan ontstaan. Bewustzijn moet worden gecreëerd dat van elke militaire activiteit communicatie uitgaat. Dit begint al bij het plannen van een operatie. Hoewel ongewenste beeldvorming door framing, fotoshop en deep fakes niet kan worden uitgesloten, wordt de kans kleiner dat er ongunstig waarheidsgetrouw beeldmateriaal naar buiten wordt gebracht, waarvan beleidsmakers de inhoud niet kunnen betwisten. Daarnaast is het van belang dat westerse staten zelf een sterk narratief bepalen en dit uitdragen richting het thuisfront. Door het uitdragen van een eigen narratief wordt de eigen bevolking weerbaarder tegen beeldvorming die een ander verhaal lijkt te verkondigen. Een grotere aanwezigheid van de krijgsmacht op sociale media is bijvoorbeeld productiever dan pogingen om de informatie van de opponent te verzwakken of de verspreiding ervan te limiteren.[74]      

Westerse staten moeten dus meer van zich laten horen. De stilte aan het ‘westerse front’ kan westerse staten op achterstand zetten in de hybride conflicten van vandaag de dag. Van elk militair aspect en activiteit gaat communicatie uit en als een staat niets doet om de communicatie te sturen met als doel een bepaald beeld uit te dragen, dan vervult de tegenstander die rol wel. Een westerse staat kan het zich simpelweg niet meer permitteren om stil te blijven. Westerse staten moeten dus bij het plannen van militaire operaties communicatie een leidende rol laten spelen, zodat negatieve beeldvorming zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast is het van groot belang dat er actiever gebruik wordt gemaakt van het informatiedomein om een sterk eigen narratief uit te dragen richting de bevolking, waardoor het volk als het ware wordt gewapend tegen het gebruik van imagefare door de opponent. Op deze wijze kunnen westerse staten zich verdedigen tegen imagefare, waarvan het gebruik de komende jaren ongetwijfeld alleen maar zal toenemen.

 

* Sterre van Hout is alumnus van de master Military Strategic Studies aan de NLDA en volgt momenteel de Postacademische opleiding Militair Juridische Dienst Krijgsmacht. Dit artikel is geschreven naar aanleiding van een paper voor het vak Militaire Operaties I (Warfighting) dat zij in het kader van die opleiding heeft gevolgd. Zij bedankt kolonel drs. A.J.H. Bouwmeester voor zijn commentaar op eerdere versies.

[1] Michael Griffin, ‘Media Images of War’, in: Media, War & Conflict 3 (2010) (1) 1.

[2] Griffin, ‘Media images of war’, 13.

[3] De invloed van beeldmateriaal op de publieke opinie en daarmee op het verloop van de Vietnamoorlog is in de academische literatuur betwist. Zie bijvoorbeeld Daniel C. Hallin, The Uncensored War: The Media and Vietnam (Berkeley, University of California Press, 1989); Piers Robinson, ‘Theorizing the influence of media on world politics models of media influence on foreign policy’, in: European Journal of Communication 16 (2001) (4) 523-544.

[4] Steven Livingston, Clarifying the CNN effect: An examination of media effects according to type of military intervention (Cambridge, Harvard University, 1997) 15.

[5] Ami Ayalon, Elad Popavich en Moran Yarchi, ‘From Warfare to Imagefare: How states should manage asymmetric conflicts with extensive media coverage’, in: Terrorism and Political Violence 28 (2016) (2) 258.

[6] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 263.

[7] Ibidem, 264.

[8] David Kilcullen, The accidental guerrilla: fighting small wars in the midst of a big one (Oxford, Oxford University Press, 2009) 300.

[9] Frank Hoffman, Conflict in the 21st Century: The Rise of Hybrid Wars (Arlington: Potomac Institute for Policy Studies, 2007).

[10] Hoffman, Conflict in the 21st Century, 35.

[11] Zie: Hoffman, Conflict in the 21st Century; Kilcullen, The accidental guerrilla, 3; Russell W. Glenn ‘Thoughts on “hybrid” conflict’, in: Small Wars Journal (March 2009) 2. Zie: https://smallwarsjournal.com/jrnl/art/thoughts-on-hybrid-conflict.

[12] NCTV, Chimaera. Een duiding van het fenomeen ‘hybride dreiging’ (Den Haag, NCTV, 2018) 3.

[13] NCTV, Chimaera, 3.

[14] NCTV, Chimaera, 3.

[15] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 256.

[16] James Farwell, Persuasion and power, the art of strategic communication (Washington, D.C., Georgetown University Press, 2012) 58-104.

[17] M. Yarchi ‘Does using “imagefare” as a state’s strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, in: Media, War & Conflict 9 (2016) (3) 292; Neville Bolt, The violent image insurgent propaganda and the new revolutionaries (New York, Columbia University Press, 2012) 130.

[18] Bolt, The violent image insurgent propaganda and the new revolutionaries, 130.

[19] Yarchi, ‘Does using “imagefare” as a state’s strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, 292.

[20] MCDC, Military implementation of strategic communication in coalition operations - A practitioners handbook, (2018) 3.

[21] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 256.

[22] Yarchi, ‘Does using “imagefare” as a state's strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, 292.

[23] Sarah Maltby, Military media management: negotiating the ‘front’ line in Mediatized War (Florence, Taylor & Francis Group, 2012) 109.

[24] Yarchi ‘Does using “imagefare” as a state’s strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, 295.

[25] Bolt, The violent image: insurgent propaganda and the new revolutionaries, 130.

[26] Yarchi, ‘Does using “imagefare” as a state’s strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, 292.

[27] Livingston, Clarifying the CNN effect, 1.

[28] Zie bijvoorbeeld: Livingston, Clarifying the CNN effect; Piers Robinson, ‘Theorizing the influence of media’, 523-544.

[29] Paul Ducheine en Jelle van Haaster, ‘Een operationeel raamwerk voor cyberoperaties’, in: Militaire Spectator 182 (2013) (12) 382.

[30] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 260.

[31] Dan Reiter en Allan Stam, Democracies at War (Princeton, Princeton University Press, 2002) 148.

[32] Reiter en Stam, Democracies at War, 148.

[33] Ibidem, 159.

[34] Ibidem, 148.

[35] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 260.

[36] Peter Pijpers, ‘De twitterende tegenstander. Een discours over de rol van mediaculturen in een conflict’, in: Militaire Spectator 183 (2014) (6) 312.

[37] Paul Ducheine, Jelle van Haaster en Richard van Harskamp, ‘Manoeuvring and generating effects in the information environment’, in: P.A. Ducheine en F. Osinga (red.), Winning without killing, the strategic and operational utility of non-kinetic capabilities in crises (Den Haag, Springer, 2017) 2.

[38] Pijpers, ‘De twitterende tegenstander’, 312.

[39] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 256.

[40] Maltby, Military Media Management, 102.

[41] MCDC, Military implementation of strategic communication in coalition operations.

[42] James Stavridis, ‘Strategic communication and national security’, in: Joint Forces Quarterly (2007) (46) 7.

[43] MCDC, Military implementation of strategic communication in coalition operations, 3.

[44] Ibidem, 6.

[45] Stew Magnuson, ‘“Deep Fakes” Will Only Thicken the Fog of War’, in: National Defense 59 (2020) (3) 5.

[46] Nina Schick, ‘“Deep Fake” Videos Threaten the World Order: We must Prepare for an Age when AI Allows Anyone with a Grudge to Create Convincing Bogus Clips’, in: The Times (27 februari 2019).

[47] NATO StratCom COE, Social media as a tool of Warfare (Riga, NATO StratCom COE, 2016) 35.

[48] NATO StratCom COE, Social media as a tool of Warfare, 38.

[49] Ibidem, 28.

[50] Ibidem, 25.

[51] C. Paul en M. Matthews, The Russian ‘Firehose of Falsehood’ Propaganda Model (Santa Monica, RAND Cooperation, 2016) 11.

[52] NATO StratCom COE, Social media as a tool of Warfare, 20.

[53] Blair Williams, ‘Heuristics and biases in military decision making’, in: Military Review 90 (2010) (5), 48.

[54] Paul en Matthews, The Russian ‘Firehose of Falsehood’ Propaganda Model, 9.

[55] Yarchi ‘Does using “imagefare” as a state’s strategy in asymmetric conflicts improve its foreign media coverage?’, 295.

[56] Ayalon et al., ‘From warfare to imagefare’, 261.

[57] NCTV, Chimaera, 31; Theo Brinkel, ‘The Resilient Mind-Set and Deterrence’, in: P. Ducheine en F. Osinga (red.), Netherlands Annual Review of Military Studies, Winning Without Killing: The Strategic and Operational Utility of Non-Kinetic Capabilities in Crises (Den Haag, T.M.C. Asser Press, 2017) 35.

[58] Judith Rodin, The Resilience Dividend; Managing Disruption, Avoiding Disaster, and Growing Stronger in an Unpredictable World (Londen, Profilebooks, 2014) 3.

[59] Theo Brinkel, ‘Moraliteit, beleid en weerbaarheid’, in: Militaire Spectator 187 (2018) (7/8) 384; Brinkel, ‘The Resilient Mind-Set and Deterrence’, 27.

[60] Cees van Doorn, Societal resilience and an answer to disinformation: The case of flight MH17 (Breda, Nederlandse Defensie Academie, 2019) 16.

[61] Bolt, The violent image, 79.

[62] Ibidem, 79.

[63] Stavridis, ‘Strategic communication and national security’, 7.

[64] NCTV, Chimaera, 31.

[65] Stavridis, ‘Strategic communication and national security’, 5-7; Beatrice de Graaf, George Dimitriu en Jens Ringsmose (red.), Strategic narratives, public opinion, and war: winning domestic support for the Afghan war (Londen, Routledge, 2015) 8.

[66] De Graaf et al., Strategic narratives, public opinion, and war, 8.

[67] Ibidem, 9.

[68] Ibidem, 9.

[69] Lawrence Freedman, ‘The possibilities and limits of strategic narratives’, in: Beatrice de Graaf, George Dimitriu en Jens Ringsmose (red.), Strategic narratives, public opinion, and war: winning domestic support for the Afghan war (Londen, Routledge, 2015) 24.

[70] Freedman, ‘The possibilities and limits of strategic narratives’, 24.

[71] Ibidem, 26.

[72] Farwell, Persuasion and power, 23.

[73] Farwell, Persuasion and power, 35.

[74] NATO StratCom COE, Social media as a tool of Warfare, 25.